Banksparen
Nieuw: Wet Banksparen (Wet Depla/Blok)
Vanaf 1 januari 2008 is een nieuwe wet van kracht. Hiermee is het mogelijk om lijfrentecontracten te sluiten bij banken/ beleggingsinstellingen of om fiscaal gefacilieerd te sparen voor de eigen woning. Dit is niet meer exclusief voorbehouden aan levensverzekeraars.
Waarom
Met deze extra mogelijkheid om uw oudedagsvoorzieningen onder te brengen, hoopt de regering dat de concurrentie tussen banken en verzekeraars zal toenemen en er meer transparantie in de kostenstructuur zal ontstaan. Daarnaast zou bij banken meer opgebouwd kunnen worden bij dezelfde inleg. Door deze wet is de ‘aftrekruimte' niet vergroot. Er komt alleen aan een toegestane aanbieder van dit soort producten bij.
Bij wie kunt u terecht?
Naast levensverzekeraars mogen nu ook kredietinstellingen of beheerders optreden als uitvoerders van lijfrentecontracten. Kredietinstellingen zijn instellingen die in Nederland het bankbedrijf mogen uitoefenen, mits deze onderneming de verplichting van de lijfrente voor de vennootschapsbelasting rekent tot het binnenlands ondernemingsvermogen. Beheerders zijn financiële ondernemingen die ingevolge de Wft in Nederland het bedrijf van beleggingsinstelling mogen uitoefenen, en die zijn gevestigd in Nederland.
Voorwaarden
De belangrijkste voorwaarden voor een bancaire lijfrente:
- De termijnen moeten met een gelijke tussenperiode van ten hoogste een jaar worden uitgekeerd.
- Lijfrentetermijnen moeten uiterlijk ingaan het kalenderjaar waarin de verzekeringnemer 70 jaar wordt.
- Minimale looptijd is 20 jaar.
- Als de uitkering begint voor het 65e jaar, wordt de termijn van 20 jaar verlengd met ieder jaar dat men voor 65 begint met uitkeren.
- Het is toegestaan vanaf 65 jaar een periodieke uitkering aan te kopen met een minimale looptijd van vijf jaar als de jaarlijkse termijnen niet meer bedragen dan € 19.449 (2008).
- Bij overlijden moeten de termijnen toekomen aan een natuurlijk persoon en direct ingaan.
- In de situatie dat de begunstigde ouder is dan 30 jaar moeten bij overlijden de termijnen minimaal 20 jaar lopen.
- Als de begunstigde jonger is dan 30 jaar moeten de termijnen minimaal vijf jaar lopen, maar het moet uiterlijk eindigen in het jaar dat de begunstigde 30 jaar wordt. Een looptijd van 20 jaar is ook toegestaan.
- Als bij overlijden de termijnen toekomen aan de echtgenote/(gewezen) partner of begunstigden die niet vallen onder de kring bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in de tweede of derde graad van de zijlijn, moeten de termijnen minimaal vijf jaar lopen;
- Kleine lijfrenten mogen direct worden afgekocht;.
- De uitkeringen bij overlijden gaan over naar de erfgenaam van de rekeninghouder als de rekeninghouder overlijdt.
Verlaging premiegrondslag
Het bedrag waarover u lijfrentepremieaftrek kunt krijgen is verlaagd naar € 104.806.
Eigenwoningsparen
De wet IB 2001 is ook uitgebreid met de spaarrekening eigen woning (SEW) en het beleggingsrecht eigen woning (BEW). De betreffende voorwaarden zijn zoveel mogelijk gelijk aan die van de kapitaalverzekering eigen woning van art. 3.116 Wet IB 2001.
Belangrijkste voorwaarden:
- Rekeninghouder moet eigen woning met eigenwoningschuld hebben;
- Minimaal 15 resp. 20 jaar jaarlijks inleggen binnen een bandbreedte van 1:10;
- Looptijd van 30 jaar mag niet worden overschreden;
- € 145.000 vrijstelling maximaal per belastingplichtige indien tenminste 20 jaar lang jaarlijks premies zijn voldaan (€ 32.900 bij 15 jaar inleg).
Op het moment dat niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden voor een SEW/BEW, wordt de rente in de SEW/BEW direct belast.
Aandachtpunten
Levenslange uitkering
De bancaire lijfrente voorziet niet in een levenslange uitkering (20 jaar). De termijn van 20 jaar is wel statistisch verantwoord, omdat de meeste belastingplichtigen daarna zullen zijn overleden. Echter, er zullen hierdoor verschillen gaan ontstaan in de hoogte van de termijnen tussen banken en verzekeraars door de andere rekenmethodiek. Een keuze dus voor een belastingplichtige.
Overlijden
Een bank kan geen overlijdensrisicodekking bieden. Hiervoor zal een belastingplichtige toch nog aangewezen zijn op een verzekeraar. Een uitkering uit een levensverzekering kan onder voorwaarden vrijgesteld zijn voor het successierecht (op grond van art. 13 SW). Een overlijdensuitkering van een bancair product kan hier nooit gebruik van maken.
Duur lijfrente-uitkeringen
Een bancaire lijfrente gaat na het overlijden van de rechthebbende door naar de erfgenaam. Overlijdt de erfgenaam gaat het door naar diens erfgenaam, enz. Een verzekeringslijfrente stopt na het overlijden van de verzekerde(n). Vermogensverlies bij een verzekeringslijfrente kan worden afgedekt door een contraverzekering. Dit is bij een bancaire lijfrente niet nodig.
Bedrijfsopvolger
Wordt een stakingslijfrente bedongen bij een bedrijfsopvolger, zal dit de vorm moeten hebben van een verzekeringslijfrente. Een bedrijfsopvolger is geen toegestane aanbieder voor een bancaire lijfrente.
Oud regime lijfrente
Zogenoemde pre-bredeherwaarderingslijfrenten kunnen niet zonder fiscale gevolgen worden voortgezet bij banken. De lijfrente zal dan moeten gaan voldoen aan de voorwaarden van de Wet IB 2001. Vaak zal dit niet aantrekkelijk zijn.


